Moet de Vlaamse identitieit van de scholen blijven vooropstaan, of moeten de scholen ‘verbrusselen’ en uitgaan van de cultuurmix en veeltaligheid van de stad? Dat is de vraag die BDW stelt in haar doorlichting van het Nederlandstalig onderwijs in Brussel. Elke week analyseert de krant een cruciaal verkiezingsthema.
Het Nederlandstalig onderwijs moet dringend vraag en aanbod in evenwicht zien te krijgen. Tegelijkertijd dienen zich meer controversiële kwesties aan, bijvoorbeeld de vraag of de scholen in een veeltalige en multiculturele context moeten blijven uitgaan van één taal, het Nederlands, en één cultuur, de Vlaamse.
Het Nederlandstalig onderwijs in Brussel heeft bewogen jaren achter de rug. De sluiting van het Heilig-Hartcollege in Ganshoren, begin 2007, deed een heftig debat oplaaien over de toestand van het Nederlandstalig onderwijs in de hoofdstad. De school moest namelijk dicht omdat de directie de strijd met de vele ongemotiveerde en belabberd Nederlands sprekende leerlingen niet langer wilde aangaan.
Toen de Vlaams-Brusselse scholen enkele weken later in een inspectierapport ook al geen beste beurt maakten, zette Vlaams minister van Onderwijs Frank Vandenbroucke (SP.A), in overleg met zijn Brusselse collega Guy Vanhengel (Open VLD), een rondetafelconferentie op het getouw. Die resulteerde in een batterij voornemens, waarvan de meeste inmiddels omgezet zijn in concrete maatregelen. (…)
Wachtrijen
Intussen werd het capaciteitsprobleem van de Vlaams-Brusselse scholen almaar nijpender. Het Nederlandstalig onderwijs kent steeds meer succes bij Frans- en anderstaligen. Zij beseffen dat het Nederlands een troef is op de steeds veeleisender arbeidsmarkt. Bovendien geniet het Nederlandstalig onderwijs bij vele Brusselaars een betere reputatie dan het Franstalig, dat een stuk minder goed scoort in het Europese Pisa-onderzoek. Dat komt onder meer omdat de Franstalige scholen met grotere klassen en beduidend minder middelen moeten werken (23 procent minder voor het lager onderwijs en achttien procent minder voor het secundair).
De grote toevloed van Frans- en anderstaligen leidde dan weer tot ongerustheid bij veel Vlaamse ouders, die begonnen te vrezen dat het onderwijsniveau zou dalen. Dat was het begin van de wachtrijen aan de ‘witte’ scholen bij elke inschrijving.
Om verlost te raken van de kampeertoestanden, liet Vandenbroucke experimenten met alternatieve inschrijvingsmethodes toe. De secundaire scholen zijn het inmiddels eens geworden om vanaf volgend jaar te werken met een callcenter of een website. Ook de lagere scholen willen af van het huidige eerst-komt-eerst-maalt-principe en dus zijn er, naast de voorrangsregels voor broertjes en zusjes, kansarmen en Nederlandstaligen, bijkomende voorrangscriteria nodig. Zo zou de afstand tot de school een criterium kunnen worden, maar daarover zijn de scholen het nog niet eens.
In elk geval bieden de alternatieve inschrijvingsmethodes geen oplossing voor het onderliggende probleem: het tekort aan basisscholen, vooral in het centrum. (…)
Op peil
Meer nog dan in het basisonderwijs bestaat ook in het Nederlandstalig middelbaar onderwijs, dat in hoofdzaak ASO (algemeen secundair onderwijs) aanbiedt, de neiging om zich af te schermen van een toevloed aan anderstalige leerlingen. Hoewel sommige scholen speciale inspanningen doen om de taalachterstand van niet-Nederlandstalige leerlingen weg te werken, stellen heel wat andere vrij hoge taaleisen aan nieuwe leerlingen, zodat anderstaligen afhaken. Op die manier proberen ze het niveau op peil te houden. In plaats van gebruik te maken van
de mogelijkheden die de multiculturele en veeltalige stadsomgeving biedt, mikken ze deels op Nederlandstaligen van buiten Brussel en leggen ze sterk de nadruk op het Vlaamse karakter van de school.
De Vlaamse overheid, die het Nederlandstalig onderwijs altijd gezien heeft als een middel om de macht van de Vlaamse gemeenschap in Brussel te bestendigen en uit te breiden, zal de komende jaren moeten nadenken over de missie van dat onderwijs. Moet de Vlaamse identiteit van de scholen, in naam van de kwaliteit, blijven vooropstaan, of dienen de scholen te ‘verbrusselen’, en uit te gaan van de cultuurmix en veeltaligheid van de stad?
Voor die laatste optie gaan de laatste tijd meer en meer stemmen op, zo bleek onlangs ook op de bijeenkomst van de Staten-Generaal van Brussel. Daar werd betreurd dat het Nederlands- en het Franstalig onderwijs in Brussel niet met elkaar spreken en dat er tussen de bevoegde overheden, de Vlaamse en Franse Gemeenschap, geen systematische samenwerking is. Het duurde bijvoorbeeld een eeuwigheid voor Vandenbroucke zijn Franstalige collega’s in beweging kreeg om samen een sluitend systeem voor leerplichtcontrole op te zetten.
Op de Staten-Generaal werd ook een nieuwe oproep gedaan voor meertalig onderwijs in de hoofdstad. Een onderwijsorganisatie die uitgaat van een Franstalige en een Nederlandstalige bevolkingsgroep, beantwoordt niet langer aan de sociologische realiteit, klonk het. Het Franstalige onderwijs heeft inmiddels een aantal immersiescholen in Brussel; aan Vlaamse kant is meertalig onderwijs in de hoofdstad vooralsnog onbespreekbaar. Bij kansarmen zou het kunnen leiden tot zerotaligheid, is dan de vaste repliek van minister Vandenbroucke. Benieuwd of de ideeën van de Staten-Generaal de nieuwe regeringen kunnen bekoren.
Lees het volledige artikel op brusselnieuws.be: Brussel kiest thema’s: Onderwijs











2 reacties
Rudi Dierick me een:
Waarom zou het Brussels onderwijs niet beide zijn, of beter nog Vlaams én intercultureel. bevat de vraag geen valse tegenstelling? immers, goed onderwijs moet noodzakelijkerwijs een voldoende stevige basis bieden in de onderwijstaal (of -talen!) opdat de leerlingen daarna zich professioneel en persoonlijk kunnen ontplooien. Vlaamse scholen én het Vlaamse beleid treden dat zonder énige reserve bij. Dat betekent dus wel waken over een voldoende peil Nederlands opdat de latere socialisatie en ontplooiing van de oud-leerlingen niet hopeloos gecompromitteerd wordt. dat betekent dus ook dat men géén onbeperkte aantallen compleet-Nederlandsonkundigen kan opvangen. Aangepaste maatregelen zoals brugjaren e.v.a. zijn dus nodig én haalbaar. Alle opties die het Nederlands structureel beperken lijken niet te voldoen aan dat didactische minimum. het huidige Vlaamse beleid zet steeds meer stappen, in héél de Vlaamse gemeenschap overigens, om alle beschikbare cultuurrijkdom te valoriseren. De suggesties van B. Hubo komen daarom over als enigszins wereldvreemd.
Annie Snoeks:
Ik pleit voor meertalig onderwijs in Vlaamse scholen. Jongeren kunnen best meer dan een taal tegelijk leren, maar dan moeten ze wel de kans krijgen om met anderstaligen daadwerkelijk te communiceren. In de Europese scholen studeren ze in twee talen, in het Frans Lycee hebben ze een optie “international bacalaureat”. Als we echt onze jongeren willen voorbereiden op een toekomst in een internationale context dan moeten we af van dat krampachtig vastklampen aan een taal zoals het nederlands waar je echt niet ver mee komt buiten de grenzen van Vlaanderen en Nederland. Ik ben nu vlot in het nederlands, engels en frans maar niet omdat ik dat op een Vlaamse school heb geleerd, wel omdat ik imet engelstaligen en franstaligen heb gewerkt. Een taal is een communicatiemiddel, meer talen kennen opent je wereld en maakt je rijker, hoe jonger je eraan begint hoe vlotter het allemaal zal lopen. Waarom zouden scholen, vooral in het Brusselse, maar in feite in het ganse Belgische land niet met volle overtuiging meertalig onderwijs aanbieden..misschien zou dat de beschamende communautaire ruzies uit de weg kunnen helpen, staatshervorming of niet…